taxi's en VVB's exploitatievergunning, belasting 2016-2019

datum goedkeuring

14 december 2015

datum bekendmaking

16 december 2015

Art.1.- Voor de aanslagjaren 2016 tot en met 2019 wordt een jaarlijkse belasting geheven op de door het college van burgemeester en schepenen verleende exploitatievergunning van taxidiensten en/of diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder.

Art.2.- Voor de toepassing van het reglement wordt verstaan onder:

  • taxidienst: bezoldigd vervoer van personen door middel van gemotoriseerde voertuigen met bestuurder die aan volgende eisen voldoen:
  • het voertuig is geschikt voor het vervoer van ten hoogste 9 personen, bestuurder inbegrepen;
  • het voertuig wordt ter beschikking gesteld van het publiek;
  • de terbeschikkingstelling heeft betrekking op het voertuig;
  • de bestemming wordt door de cliënt bepaald.
  • dienst voor het verhuren van voertuigen met bestuurder : alle bezoldigde vervoersdiensten door middel van gemotoriseerde voertuigen met bestuurder, die noch openbaar, geregeld vervoer noch taxidiensten zijn en naar bouw en uitrusting geschikt zijn voor het vervoer van ten hoogste 9 personen, bestuurder inbegrepen. Vóór aanvang van het vervoer wordt een schriftelijke overeenkomst gesloten tussen cliënt en exploitant. De cliënt bepaalt de bestemming van het transport.

Art.3.-

§1. De belasting bedraagt:

  • voor de exploitatievergunning van een taxidienst zonder standplaats op de openbare weg: 250 euro per jaar per voertuig vermeld in de akte van vergunning;
  • voor de exploitatievergunning van een taxidienst uitgerust met radiotelefonie zonder standplaats op de openbare weg: 325 euro per jaar per voertuig vermeld in de akte van vergunning;
  • voor de exploitatievergunning van een taxidienst die gebruik maakt van een standplaats op de openbare weg: 450 euro per jaar per voertuig vermeld in de akte van vergunning;
  • voor de exploitatievergunning van een dienst voor verhuur van voertuigen met bestuurder: 250 euro per jaar per voertuig vermeld in de akte van vergunning;
  • voor de exploitatievergunning van een taxidienst zonder standplaats op de openbare weg en een vergunning voor de exploitatie van een dienst voor het verhuren van voertuigen met bestuurder voor eenzelfde voertuig: 500 euro per jaar per voertuig vermeld in de akte van vergunning;
  • voor de exploitatievergunning van een taxidienst uitgerust met radiotelefonie zonder standplaats op de openbare weg en een vergunning voor de exploitatie van een dienst voor het verhuren van voertuigen met bestuurder voor eenzelfde voertuig: 575 euro per jaar per voertuig vermeld in de akte van vergunning;
  • voor de exploitatievergunning van een taxidienst die gebruikt maakt van een standplaats op de openbare weg en een vergunning voor de exploitatie van een dienst voor het verhuren van voertuigen met bestuurder voor eenzelfde voertuig: 700 euro per jaar per voertuig vermeld in de akte van vergunning;

Deze bedragen worden jaarlijks aangepast volgens de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Deze aanpassing gebeurt door middel van de coëfficiënt die wordt bekomen door het indexcijfer van de maand december voorafgaand aan het aanslagjaar te delen door het indexcijfer van de maand december 2000.

§2. De belasting is jaarlijks verschuldigd voor het hele jaar, onafhankelijk van het moment waarop de vergunning werd verleend.

Een vermindering van het aantal voertuigen geeft geen aanleiding tot belastingteruggave, evenmin als de opschorting of intrekking van de vergunning of het buiten werking stellen van één of meer voertuigen tijdens het aanslagjaar om welke reden ook. Met een eventuele wijziging wordt rekening gehouden vanaf het aanslagjaar dat volgt op het jaar waarin de wijziging plaatsvond.

Art.4.- De belasting is verschuldigd door de natuurlijke- of rechtspersoon die de houder is van de vergunning op het moment van de afgifte.

Voor de daaropvolgende aanslagjaren is de belastingplichtige de houder van de vergunning op 1 januari van het aanslagjaar.

Art.5.- De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat wordt vastgesteld en uitvoerbaar verklaard door het college van burgemeester en schepenen.

De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na verzending van het aanslagbiljet.

Art.6.- De vestiging en invordering van de belasting, evenals de regeling van de geschillen terzake, gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het gelijknamig decreet van 30 mei 2008 en latere wijzigingen.

gemeenteraadsbesluit van 14 december 2015 - bekendgemaakt op website op 16 december 2015